![]() |
![]() |
| start producten en diensten werkwijze praktijkvoorbeelden nieuwe inzichten cursusdag cursus presenteren workshop VBJO over pars-fortunae interessante links contact |
De drie zeven Socrates, de Griekse wijsgeer, liep eens door de straten van Athene. Plotseling komt een man opgewonden naar hem toe. "Socrates! Ik moet je iets vertellen over je vriend die..." De zoekende vrouw Op een donkere herfstachtige avond liepen drie rijke heren door de schaars verlichte stad. Iedereen kende hen, want zij waren niet geheel van onbesproken gedrag. Niets kon hen er echter van weerhouden om met elkaar hardop te filosoferen en te redeneren over allerlei manieren om het leven voor henzelf nog aangenamer te maken. De eerste sprak: ‘Ik zou mijn vrouw harder moeten slaan, zodat ze beter voor mij zal zorgen.’ De tweede zei: ‘Ik geef mijn kinderen minder te eten, zodat ze het wel nalaten om mij tegen te spreken!’ En de derde wist te vertellen dat zijn land meer zou opbrengen als zijn buren hem een stuk van hun grond zouden afstaan. Zo pochend kwamen zij, toen het al donker geworden was, in een straat waar zij een oude vrouw krom gebogen zagen rond lopen in het licht van de straatlantaarn. Uit nieuwsgierigheid gingen zij naar haar toe en vroegen haar: “Oude vrouw, zeg ons eens wat je aan het doen bent.” Zonder op te kijken mompelde de vrouw dat zij haar naald om sokken te stoppen had laten vallen en dat zij deze zocht. De heren besloten haar te helpen met zoeken, omdat ze dachten dat ze voor het terug vinden van zo’n kostbare naald wel een beloning zouden krijgen, al was het maar een borrel die de oude vrouw nog in haar kast zou hebben staan. Toen zij een half uur gezocht hadden, soms zelfs op de knieën kruipend, was de naald nog steeds niet gevonden. ‘Vrouwe!’, riep één van de zogenaamd betamelijke heren, ‘de naald is hier nergens te vinden! Waar precies hebt u hem dan toch laten vallen?” Weer zonder op te kijken of een spier te vertrekken zei de vrouw: “Binnen.” De mannen keken elkaar verbouwereerd aan en werden daarna boos op de vrouw. “Wilt u zeggen, dat u de naald binnen hebt laten vallen en dat u hier buiten daarnaar aan het zoeken bent?” vroegen ze ongelovig. “Ja”, zei de vrouw vastberaden. “Dat klopt.” “Maar…maar..”stotterde de tweede man. “Waarom doet u dat?” “Omdat er hier onder de lantaarn licht is.” sprak de vrouw simpel. “Binnen is het immers donker…” Eén van de mannen maakte aanstalten om weg te lopen. Met zo’n gek mens wilde hij niet van doen hebben. De tweede liep al met hem mee, maar de derde kon zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en bovendien beval zijn gevoel voor gezag hem dat hij deze vrouw eens een wijze les moest leren. Hij zei op ferme toon: “Vrouwe, het is dom wat u doet. Ook al is er hier buiten licht, hier zult u de naald nooit vinden, want hier hebt u ‘m niet verloren. U zult binnen moeten zoeken en al is het daar donker en maakt dat het zoeken moeilijk, daar is de enige plek waar u de naald terug kunt vinden.’ En hij voegde er aan toe: “Snapt u dat?” “Ik snap dat heel goed.” antwoordde de vrouw , “maar snapt u het zelf ook?” ging ze verder. En toen de man haar vragend aankeek vervolgde zij: “U doet het zelf ook. U zoekt de mogelijkheid om uw leven te verbeteren buiten uzelf, hoewel u het daar niet verloren hebt, maar omdat dat u het makkelijkste lijkt. Maar u weet kennelijk heel goed dat u de werkelijke oorzaak binnen in u moet zoeken, al is het daar donker en maakt dat het zoeken moeilijk. Daar is de enige plek waar u kunt vinden wat u zoekt.’ En met gebogen rug, schuifelde zij, zonder nog een keer om te kijken haar huisje weer binnen. Het werkelijke geschenk Er was eens een vrouw die in haar eentje een lange wandeling maakte. Ze trok door bergen en dalen en langs groene weiden, waar koeien vredig graasden. Als ze langs de velden met klaprozen of zonnebloemen liep, kon ze niet nalaten er één te plukken en deze de hele dag met haar mee te dragen onder het zachtjes zingen van vrolijke wijsjes. Vooral als de zon scheen kon ze van de warme gloed, de geur van het gemaaide gras en het zoemen van de bijen genieten alsof ze het voor het eerst en het laatst in haar leven beleefde. Hoger in de bergen, waar het kouder werd en een extra trui over de schouders nodig was liep, ze op een stenig pad, haar stevige wandelschoenen voorzichtig zo plaatsend dat ze zich niet verzwikte. Zo aandachtig naar de grond kijkend ontdekte ze een fraaie steen. Ze bekeek de steen van alle kanten en het zou haar niet verbaasd hebben als iemand haar zou hebben verteld dat het een ongeslepen diamant was. Ze stak het kleinood in haar tas en verguld van het geluk dat zij zoiets moois gevonden had, wandelde ze verder. Aan de andere kant van de berg, terwijl ze met een lange, afgebroken tak als wandelstok het pad weer afdaalde kwam ze een man tegen, die bezig was de berg te beklimmen. De man sprak haar aan en vroeg haar bescheiden of ze iets te eten voor hem had. Niet in het minst omdat de man er met zijn ouder uiterlijk uitzag als een wijze levensgenieter, zette zij onmiddellijk haar tas op de grond, opende deze, zocht naar al het eetbaars dat ze in haar tas had en deelde het met de man. De oudere man wierp onbekommerd een blik in haar tas toen ze bezig was nog meer voedsel eruit op te diepen toen hij de fraaie steen zag liggen. Hij vroeg aan haar of hij deze van dichtbij mocht bekijken. Hij bewonderde de steen om haar schoonheid en prees de vrouw om het geluk dat zij deze steen gevonden had. Toen hij zag hoe enthousiast de vrouw dit beaamde vroeg hij of zij de steen aan hem wilde geven. Zonder aarzelen gaf de vrouw de steen aan de man die haar uitvoerig ervoor bedankte en daarna zijn reis weer voortzette. Ook de vrouw stond op en ging verder. Enkele dagen later, toen zij al weer in een volgend dal was aangekomen hoorde ze iemand achter haar roepen. Ze draaide zich om en tot haar verbazing zag ze dezelfde man weer die ietwat buiten adem haar duidelijk maakte dat hij haar uiteindelijk weer achterna gekomen was. Toen de vrouw hem vroeg waarom hij dat gedaan had antwoordde de man: ‘Ik weet hoe kostbaar deze steen is die je mij gaf, maar ik geef hem aan je terug in de hoop dat mij nog iets kostbaarders kunt geven.’ De vrouw antwoordde glimlachend: ‘Wat zou je willen hebben van mij dan?’ En de man ging verder: ‘Kun je mij datgene geven wat maakte dat je míj deze kostbare steen schonk?’ |